rouwen – voor Grote Mama

De eerste keer dat ik de dood bewust aankeek, is nu ongeveer anderhalf jaar geleden. Ze verscheen enigszins onverwacht, als een eenzame wolf. Niet dat het sterfgeval onverwacht was, maar ikzelf keek eerder verbaasd op van mijn voortdenderend leven om die wolf daar te zien staan, zoals een boer om twaalf uur verbaasd opkijkt van zijn bord soep wanneer er een vreemde wagen de oprit oprijdt. De wolf keek me met priemende ogen aan, alsof ze me wilde waarschuwen. Toen verdween ze net zo plots als ze gekomen was. Ongemakkelijk ging ik verder met mijn leven, met mijn soep.
Maar niet veel later volgde er meer wolven, de roedel had mij gevonden en vormde zich nu. Waar ik ging, was de roedel. Eerst van ver, tussen de bomen op de bergkam. Later langzaam dichterbij. Totdat ik ze ’s avonds, na donker, weet schuifelen op het terras, hun gehijg kan horen, hun unisono harteklop kan voelen.
Soms maken ze me bang, de wolven.

Kan je dat leren? Rouwen? Kan je leren leven met de roedel?
Blijkbaar wel, ik ken mensen die er goed in zijn, die het verdriet vastpakken als een bijna verdronken zwerfkat en het in huis nemen, er voor zorgen en er een mooi en respectabel beestje van maken. Hun verdriet is een schootdier geworden, af en toe komt het bij je zitten, verliest het wat van z’n haren, waarna het weer naar buiten loopt om een muis te vangen. Of zijn eigen staart.

In het theaterstuk Rabbit Hole, van David Lindsay-Abaire, is het verdriet om een verloren kind als een enorm rotsblok, ondraagbaar, die langzaam, tergend langzaam, kleiner wordt tot een kiezelsteentje in je broekzak. Het wordt draaglijk. Je vergeet soms dat het er is, maar dan opeens, onverwacht, voel je het weer zitten. Ah ja, dat was er ook nog…
Dat beeld spreekt me meer aan, het is een stil geheim, dat je zelf moet dragen. Zoals een kind zijn schatten in zijn broekzak draagt.

Ik heb wel geleerd dat stilte uiteindelijk het enige is dat telt. Dat werkt. We worden geboren uit stilte en sterven in stilte. En dat is waar we allemaal de hele tijd naar zoeken, naar stilte. Meer nog stilte vanbinnen, binnen in ons, dan vanbuiten, rondom ons. Misschien is ‘zoeken’ daarom niet het juiste woord, want we weten allemaal waar het is. Hier (in het hart), of hier (in de buik [in tan t’ien]). Maar het kunnen pakken, er naar tasten, naar moeten reiken, dat is het moeilijke.
Misschien is dat het Leven: reiken naar de stilte.
Mijn vermoeden is dat rouwen en reiken naar de stilte een beetje hetzelfde is. Het diep en onweerstaanbaar verlangen naar iets dat vertrouwd is, of het nu de stilte is of Grote Mama, iets dat je graag nog één keer zou willen vastnemen.

Eén ding is niet helemaal waar. Ik heb wel leren rouwen. Een andersom rouwen, zonder roedel, zonder wolven. Ik heb leren rouwen om een leven dat maar niet kwam, in plaats van om een leven dat vertrok. Ook dat kan, wie daaraan twijfelt mag mijn hart bevoelen. Als mijn stem trilt, vandaag, hier, is dat niet enkel om Grote Mama, maar zijn dat ook die littekens die u hoort.
Maar aan dat rouwen kwam een soort van einde. Met Fien. Fien naar Fina. In haar en in haar naam leeft Grote Mama voort.

Het einde van dat rouwen was dus tegelijkertijd een begin, een feest. Een begin met liefde, met leven. En zo moet het ook zijn, het rouwen. We vieren het leven.
Huil niet om wat voorbij is, wees blij om wat was. Wees verwonderd om wat is.
Meer hoef ik niet te weten van rouwen …

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s